Er is nergens zoveel kunst als in Rotterdam. Aldus kunstcriticus Rutger Pontzen in de Volkskrant in 2011. Dat is nog eens een andere binnenkomer dan te openen met Rotterdam als stad zonder kunst. Rotterdammers groeiden op met kunstwerken in de openbare ruimte. Na het bombardement van 14 mei 1940 kreeg Rotterdam er zoveel openbare ruimte bij en die moest gevuld worden. De beelden in de stad zijn dus onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het naoorlogse Rotterdam. Als je het werk van Siebe Thissen in je handen houdt, dan leidt dat direct tot twee reacties: raar dat het niet eerder is geschreven, waar direct op volgt: goed dat het er is en wat een rijk boek is het aan nieuwe gedachten, en prachtig beeldmateriaal. Hoe anders zie je Rotterdam nu?

Ik reken dit werk van Siebe direct tot de belangrijke werken in de stadsgeschiedenis. Een belangrijk aanvulling op alles wat er tot nu toe over de wederopbouw is geschreven. Het boek leert je ook met andere ogen naar het Rotterdam van nu te kijken. Siebe pakt het essayistisch aan en laat zien hoe Rotterdam de beelden wist te verwerven. Het zijn dankzij de prachtige illustraties eigenlijk beeldverhalen, met ook veel nieuwe inzichten en persoonlijke bespiegelingen. Ik geef een mooi voorbeeld. We denken altijd dat kunstenaars na de oorlog zo gewaardeerd werden omdat ze in het verzet zaten en ondergronds werkten. Niets is minder waar: het kunstleven en de kunsthandel maakten tijdens de oorlog juist een ongekende bloei door. Slechts weinig kunstenaars vermeden inlijving bij de Kultuurkamer en velen bleken bereid ‘gezonde’ kunst te maken. Het werk staat vol met dit soort kritische bespiegelingen, waarin Rotterdam en zijn kunstklimaat in een symbiotische relatie worden beschreven. Maar er zijn ook mooie en rake portretten van Louis van Roode; geen enkele andere kunstenaar uit de wederopbouw wist zo’n stempel op de beeldcultuur van Rotterdam te drukken. Of Gust Romijn, een kunstenaar van internationale allure die Rotterdam verrijkte met zijn eigenzinnige, maar nog altijd krachtige vormtaal.

We vieren de wederopbouw en dan staan we graag stil bij de mannen die Rotterdam groot maakten en die zich tevens inspanden om Rotterdam een cultureel aanzien te verlenen. Sociaaldemocraten en vooruitstrevende liberalen namen hierbij het voortouw. Toonaangevende ondernemers met sociaaldemocratische sympathieën bemoeiden zich toen intensief met de wederopbouw van de stad. Kunst hoorde daarbij. Dus er moest een kunstbeleid komen, en Rotterdam moest daarin voorop lopen. Ik citeer uit het boek van Siebe:

“Wil het nieuwe Rotterdam een goed Rotterdam worden, dan dient de beeldende kunstenaar te worden erkend en ingeschakeld als onmisbaar medewerker (…) Men bedenke slechts hoe een dankbaar en belangwekkend terrein hier open ligt voor gevelversiering, het aanbrengen van gevelstenen, uithangborden, kunstsmeedwerk, emblemen, betrekking hebbend op het uitgeoefend beroep of bedrijf. [Laten we in bouwprojecten] een vaste plaats inruimen voor opdrachten aan beeldende kunstenaars. Met een gering percentage kan hier veel worden bereikt (…)”

 

De wederopbouw bevorderde de aandacht voor de beeldende kunst, maar op inhoudelijk gebied was een stevige impuls nodig. Terecht besteedt Siebe veel aandacht aan de rol wethouder van Onderwijs en Volksontwikkeling, A.J. van der Vlerk. Hij streefde naar culturele en maatschappelijke vernieuwing en zag hierin een grotere rol weggelegd voor de lokale overheid via de Rotterdamse Kunststichting. Siebe schrijft waarderend over hem: ‘was er ooit een lid van het College enthousiaster dan deze van bediende opgeklommen magistraat, die struikelend over slecht-Nederlands met zoveel verve zijn ideeën naar voren bracht, dat de gemeenteraad er wel in moèst geloven?’

Siebe laat zien dat Rotterdam goed gedijt indien we in deze stad beschikken over kunstbeleid met visie. Het mag tegendraads zijn en dat gebeurde ook volop. Eind jaren zestig brak een bloeiperiode voor de Rotterdamse cultuursector aan. Vooral onder het directoraat van Adriaan van der Staay van de Kunststichting kreeg het Rotterdamse culturele leven een geweldige impuls. Hij zorgde ervoor dat Rotterdam internationaler werd. Hij was onder andere initiatiefnemer van Poetry International en het Internationale Filmfestival en vlak voor zijn vertrek promootte hij Rotterdam als architectuurstad. Er was ook een keerzijde, want het kunstbeleid werd dankzij de successen in toenemende mate ingebed in ambtelijke structuren en overlegorganen; de verstatelijking van het cultuurleven zoals het wel wordt genoemd. Ambtenaren werden de ‘culturele kapitalisten’ met een ‘staatstraktement’. Wethouders en ambtenaren wekten steeds meer wrevel op, zoals bij Hans Abelman. Kunstenaars omarmden de kritiek die Rob Wentholt met zijn Binnenstadsbeleving had geuit op een materialistische cultuur, de onleefbaarheid in de grote steden en milieuverontreiniging richtten. Wentholt had zijn stadgenoten laten zien waarom hun stad niet aan de verwachtingen voldeed. Het was aan de cultuursector om aan de immateriële inhoud van de nieuwe stad vorm te geven. Met andere woorden, de kunst had het in zich om de misstanden van de wederopbouw weg te nemen. De Pressienota van 1969 gaf daar uiting aan met het motto: ‘Met Rotterdam gaat het goed, maar niemand vraagt zich af hoe het met de Rotterdammers gaat.’

Wentholt en Pressienota markeerden volgens Siebe het einde van een consensuscultuur. Maar de opruiende kunstenaars werden uiteindelijk ook ambtenaar. Jan Riezenkamp is eigenlijk na Van der Vlerk de eerste wethouder (bijna twintig jaar later) die met een nieuwe persoonlijke visie op de kunsten kwam. Het was tijd voor een eigen visie, zo vond hij zelf, want sinds zijn aantreden als wethouder (sinds 1974) was geen veelomvattende kunstnota verschenen. En daarin had hij gelijk. Riezenkamp had nu zelf het initiatief genomen met een prikkelende en politieke visie. Veel lezers zullen zich ongetwijfeld gestoord hebben aan de heilstaat die Riezenkamp opvoerde en zijn pleidooi voor een niet-kapitalistisch mensbeeld. Hij maakte in deze nota cultuurbeleid tot inzet van welzijnsbeleid, een instrument om de socialistische heilstaat op weg te helpen. Van der Staay noemde de linkse ommezwaai op het stadhuis funest voor een ambitieus, internationaal cultuurprogramma. Hij was het volstrekt oneens met de cultuuropvattingen van nieuw links en had grote moeite met de betweterigheid van de PvdA en haar ‘halfbakken zelfoverschatting’. Eind jaren zestig had hij al ervaring opgedaan met een links cultuurbeleid in Amsterdam. Dit had volgens hem veel weg van ‘oude dominees’ die star en recht in de leer waren en uitsluitend geïnteresseerd in linkse correctheid. Van der Staay vond dat de nieuwe ideologen de kunstsector misbruikten om de grotestadsproblemen op te lossen; kunst als welzijnsproduct. ‘Maatschappelijke problemen die de gemeentelijke diensten niet kunnen oplossen worden in handen gelegd van de kunstenaar.’ In een terugblik op de bewogen periode spreekt Van der Staay van ‘barbarendom vanuit de politiek’.

Vanaf de jaren tachtig treedt een bezuinigende overheid terug en er ontstaat weer ruimte voor nieuwe initiatiefnemers buiten het overheidsmecenaat om. Zo is vanaf de jaren tachtig en negentig het aandeel van sponsoring door het bedrijfsleven en van private fondsen in de totale financiering van de kunstsector aanzienlijk toegenomen. Op zich is dat niet verkeerd, want het boek laat zien dat de beeldencollectie juist zo sterk is omdat het met de tijd meebeweegt: van particulier mecenaat, via overheidsmecenaat naar een tussenvorm die weer ruimte laat voor een hybride tussenvorm. Concluderend schrijft Siebe ook:

“Die stadscollectie is dan ook niet het resultaat van een samenzwering van de kunstlobby, een rigide overheidsbeleid of ongebreidelde stadsmarketing, maar getuigt juist van een breed gedeeld maatschappelijk verlangen om juist in het publieke domein te willen spreken over leegte, de status van de stad en chauvinisme. Aan de Rotterdamse beeldencollectie lag misschien geen groots plan ten grondslag, de collectie kreeg wel vorm als een onverwachte meevaller in een stad die zich opnieuw moest oprichten.”

Vandaag is het nieuwe cultuuradvies gepresenteerd. Hopelijk zijn velen opgelucht, misschien zelfs blij. Rotterdam kan niet zonder een sterkte cultuursector en de geschiedenis leert ook dat het goed is dat er bij tijd en wijlen stevige wethouders zijn die voor de kunsten opkomen. Dat mag tegendraads zijn; ook dat leert de ervaring. Maar Rotterdam gedijt natuurlijk pas echt als kunst en cultuur niet uitsluitend aandacht krijgt omdat het bij een profiel van de 21ste-eeuwse stad hoort. Graag breng ik in herinnering de uitspraak van kunstcriticus Wim Wagener tijdens de opening van Boijmans in 1949. “Kunst is de stoel waarop je zit en het bord waarvan je eet”.