Zonder titel (1957) Jan Engelchor

Over het kunstwerk

In 1957 kreeg Slavenburg’s Bank op de Coolsingel, ontworpen door architect Kees Elffers, een zeer fraaie, abstracte sculptuur aan haar gevel gemaakt door de beeldhouwer Jan Engelchor. ‘Deze plastiek’, zei Engelchor, ‘moet je zien als een poging om te spelen met onze gedachten, te spelen met vlakken, zonder dat u mij dwingt te geraken tot bijvoorbeeld een jongetje met konijn of een oude man met boompje’. Hoewel het beeld in Rotterdam de status van autonome sculptuur heeft, is het in feite een acht meter hoog bedrijfslogo. Het van aluminium gemaakte sierwerk is opgebouwd uit de goudkleurige letters S en B (Slavenburg’s Bank). De oprichter van de bank, Thijs Slavenburg – voormalig directeur van de Incasso-Bank aan de Blaak te Rotterdam – was zelf voorzitter van de selectiecommissie. Engelchor won een besloten prijsvraag, waaraan ook de kunstenaars Louis van Roode en Dick Elffers, de broer van de architect, deelnamen. Slavenburg’s Bank (opgericht in 1925) stond bekend als een fatsoenlijke, conservatieve, maar zeer succesvolle bank. Dat commerciële succes bracht Slavenburg, tevens wethouder voor de Christen Historische Unie (CHU) in Schiedam, soms in gewetensnood. Aanvankelijk symboliseerde het gouden logo van Engelchor het ethische motto van de bank (‘De mooiste bloemen groeien aan de rand van de afgrond, maar je mag ze niet plukken’). Maar nadat zoon Piet Slavenburg de bank in 1977 had overgenomen en de onderneming exploiteerde als een witwasmachine voor een criminele clientèle, verwerd het beeldmerk aan de Coolsingel tot een sinister symbool van bankfraude. Van die ballast is het kunstwerk van Engelchor vandaag eindelijk bevrijd – als autonome sculptuur geldt zijn werk nu als één van de hoogtepunten van de wederopbouwkunst in Rotterdam.

lees meer
Over de kunstenaar

Jan Engelchor (Amsterdam, 1920 – Bussum, 1976) studeerde aan de Rijksacademie in Amsterdam, werkte twee jaar bij Henri Matisse en deed mee aan exposities in Amsterdam, Den Haag, Laren, Almelo, Eindhoven en Caracas. Aanvankelijk was hij schilder, maar in 1958 stapte hij over naar beeldhouwkunst. Eerst werkte hij daarbij in aluminium, ijzer, RVS, koper en later ook messing. In 1958 exposeert hij metaal- en betonsculpturen in een galerie in Hilversum. Het Vrije Volk meldt dat hij ‘is aangeraakt door het modernisme’ en de penselen heeft vervangen door lasapparatuur. Een tentoonstelling in 1961 in galerie “d’eendt” in Amsterdam wordt door de NRC positief beschreven en vergelijkt hem met Arp, César, Tajiri.

lees meer