Daan van Golden (Rotterdam, 1936 – Schiedam, 2017) werd geboren op Katendrecht. Van Golden werd eerst opgeleid als machinebankwerker, kreeg toen schilderlessen van de jezuïeten, en doorliep toen eind jaren vijftig de kunstacademie in Rotterdam. In de jaren zestig volgde daarop een grote artistieke sprong: hij begon een baanbrekend oeuvre van gewone patronen, pakpapier en zakdoeken, die hij tot kunst verhief. Dat een alledaags gebruiksvoorwerp een kunstwerk werd, was nieuw. Van Golden werd één van Nederlands bekendste Pop Art kunstenaars. Dat juist in Rotterdam de Pop Art opbloeide, is te danken aan het internationale karakter van de havenstad, waarin Van Golden opgroeide. Hij koos een meer ingetogen stijl, met net iets andere  inspiratiebronnen. Hij reisde naar veel andere landen, vooral in Azië, en keek hij met name naar Japan. Zijn reis leverde een reeks schilderijen op die hij exposeerde in Tokio, maar hij had geen geld voor het transport terug naar Nederland. Om dat bijeen te sprokkelen, ging hij destijds bedelen op een station in Osaka, met een bord met daarop een tulp, een boer en een molen. Na een paar dagen had hij genoeg geld en konden de werken naar Nederland. In 1968 werd hij uitgenodigd deel te nemen aan de Documenta in Kassel, in 1999 nog eens, tussendoor en daarna was zijn werk in verschillende musea te zien. Daan van Golden geldt als één van de belangrijkste Nederlandse kunstenaars.