De Italiaanse beeldhouwer Giacomo Manzù (Bergamo, 1908 – Rome, 1991) was zoon van een koster en begon als leerling bij een houtsnijder, waar hij kerkelijke beelden maakte. Daarna leerde hij pleisterwerk maken van een stukadoor en studeerde beeldende kunsten tijdens zijn dienstplicht. Zijn eerste opdracht was het versieren van de universiteitskapel in Milaan in 1930. Zijn grote doorbraak kwam in 1953 met zijn eerste solotentoonstelling. Hij had toen onder andere de bekende beelden “de Danspas” (1950) en “de Kardinaal” (1952) gemaakt. Hij doceerde in Milaan en Salzburg. Zijn grote voorbeelden waren Donatello, Rodin en Rosso Fiorentino. Hij past in de traditie van klassieke beeldhouwers en kan in één adem met verdienstelijke traditionele beeldhouwers van alle tijden worden genoemd en ontving verschillende onderscheidingen.