Op maandag 18 mei 2026 werd de herplaatsing van het kunstwerk De lastdrager feestelijk gevierd op het Wierdsmaplein op de Wilhelminakade. Een van de sprekers was schrijver en historicus Hilde Sennema. Ze schrijft onder andere voor Het Financieele Dagblad en Vers Beton, en publiceerde in 2024 het boek Met opgestroopte mouwen. Een kleine geschiedenis van Rotterdam. Ze promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op de sociale gevolgen van modernisering in havenstad Rotterdam.

De universele lastdrager

We zijn vandaag in het gezelschap van een ouderwetse havenarbeider: een zakkendrager of sjouwer.

Het werk van een zakkendrager ging ongeveer als volgt. Hij ging aan boord, schepte goederen, zoals graan, erts of steenkool, in zakken, stak behendig een haak in de bovenkant van de zak en slingerde het geheel, vaak wel 90 kilo − het gewicht van een volwassen persoon − op zijn nek.

Maar toen beeldhouwer Han Rehm eind jaren veertig de opdracht kreeg voor dit beeld, was de zakkendrager grotendeels uit de haven verdwenen. De kades van de Rotterdamse haven stonden toen al een paar decennia vol met graanzuigers, elevatoren en mechanische kranen. Zakkendragen kwam nog wel voor, maar niet meer als structurele manier om goederen van wal naar schip (en vice versa) over te brengen.

Waarom koos Rehm dan toch deze figuur? En waarom noemde hij hem niet de zakkendrager of de sjouwer, maar de lastdrager?

Ik ben niet de enige die over dit vraagstuk heeft nagedacht. Vlak voordat we hier bij elkaar kwamen kreeg ik een mailtje van Koos Stadhouders, die er onderzoek aan heeft gewijd. En dan is er nog Harry van Boven, wiens vader bij Pakhuismeesteren heeft gewerkt en die een hele website heeft gewijd aan dit bijzondere beeld.

Op die website staat ook een oorkonde, die ons meer vertelt over de onthulling van het beeld op 22 september 1950. Het beeld was gemaakt bij de voltooiing

‘…van de bouw van het pandencomplex “Java, Sumatra, Borneo, Celebes” aan de Wilhelminakade, ter vervanging van de 10 vernielde Pakhuizen in de Binnenstad, de wederopbouw van de “Tankinstallatie” aan de 1e Petroleumhaven, de herstelling- en gedeeltelijke vernieuwing van het Pakhuispand “De Eersteling.”’

De Eersteling was het pand op de hoek van de Rijnhaven waar dit beeld deel van uitmaakte.

Niet zomaar deel vanuit maakte: het was

‘een symbolische “Laatste Steen” bij de voltooiing van de wederopbouw na de verwoestingen in de Oorlog 1940/1945.’

En niet zomaar een laatste steen: het beeld diende als hoeksteen. De hoeksteen droeg letterlijk een grote last. Alle neerwaartse krachten van het zware dak ving hij op. Daarom heeft de hoeksteen natuurlijk ook grote symbolische waarde, als onmisbaar element in een geheel. Pakhuismeesteren presenteerde deze havenarbeider als de hoeksteen van de herbouw van het bedrijf.

Dat ‘lastdrager’ kan dus een letterlijke verwijzing geweest zijn naar zijn functie als ‘laatste steen’, als hoeksteen. Tijdens zijn onderzoek kwam Koos Stadhouders er bovendien achter dat één van de tien verwoeste pakhuizen van Pakhuismeesteren in de vooroorlogse binnenstad ook De lastdrager heette: het bevond zich aan de Leuvehaven, ongeveer waar nu de opgang van de Erasmusbrug is. Een hele directe link dus met verwoesting en opbouw.

Maar de symbolische waarde van dit beeld gaat nog verder. Werk werd in de eerste naoorlogse jaren gezien als het enige medicijn tegen de ellende van de Tweede Wereldoorlog, en niemand belichaamde dat werk beter dan de havenarbeider. Want ook al waren er inmiddels mechanische kranen en graanzuigers, het stukgoed bestond rond 1950 nog steeds bij de gratie van handwerk.

Goederen die vakkundig in een hijs moesten worden gepakt zodat ze niet uiteenvielen. Vastknopen, overzetten, sjorren en sjouwen. Je had kennis, ervaring en verantwoordelijkheid nodig om te zorgen dat je maat niet onder een slechte hijs terecht kwam.

Daarmee staat deze lastdrager niet alleen symbool voor de opbouw van een bedrijf, maar voor de wederopbouw van een hele stad. Werken − niet alleen aan de letterlijke wederopbouw, maar ook om de zinnen te verzetten, om maar niet herinnerd te worden aan de aanhoudende angst voor bombardementen, aan het wegvoeren van Joodse Rotterdammers naar de vernietigingskampen, aan de razzia waarbij jonge mannen naar de Arbeitseinsatz werden gestuurd, aan de hongerwinter.

Die herinneringen zorgden niet vanzelfsprekend voor een sfeer van opgewekt aanpakken. Bestuurders, van de stad en van de bedrijven, grepen alles aan om het moreel omhoog te krikken. In dit beeld zien we dat heel letterlijk: de schouders eronder.

Maar er werd over meer gezwegen dan alleen het verdriet en het verlies van de oorlog. De pakhuisnamen − Java, Celebes, Borneo, Sumatra − verwijzen naar eilanden in Nederlands-Indië. Pakhuismeesteren was sinds zijn oprichting diep verweven met koloniale handelsketens. Indonesië had in 1945 de onafhankelijkheid al uitgeroepen, maar pas in 1949 werd, na veel geweld, die onafhankelijkheid ook door Nederland erkend.

De lasten in die handelsketens waren verre van gelijk verdeeld, de lusten evenmin. Maar ook in de haven bestond ongelijkheid en uitbuiting. We kennen allemaal de verhalen van havenarbeiders die in de kroeg uitbetaald kregen. De arbeidsvoorwaarden verbeterden flink in de 20e eeuw, maar ook de automatisering, met kranen en later containers, was zowel een vloek als een zegen. Het zware werk dat ruggen boog en brak verdween weliswaar, maar daarmee ook een deel van de kennis en de trots over het werk.

Kraanmachinist Paul Oosthoek vertelde in 1983, in de radiodocumentaire Gehavend trekpaard, over wat er verloren was gegaan sinds de container het stukgoed vanaf de jaren zestig had verdrongen:

‘…het ruiken van specerijen, de lucht van natte huiden, het ruiken van koffie, het zien van balen katoen. Je afvragen: waar komt dat vandaan, terwijl je daarboven zit te memoreren.’

Hij had het, als lid van de medezeggenschapsraad bij Müller-Thomsen, als zijn plicht gevoeld ervoor te zorgen dat de jonge generatie dat zware werk niet meer hoefde te doen. Maar later, toen de ECT was uitgegroeid tot een onpersoonlijke multinational, werd hij voor zijn harde werk onvoldoende gewaardeerd.

Dat dit beeld hier nu weer staat, op een nieuwe plek, is een eerbetoon aan alle mensen die in hem iets herkennen. Van trots op je werk, van plezier in je vak. Maar ook van de keerzijde van dat werk: lichamelijke ongemakken, de onzekerheid of je wel genoeg verdient en of je je pensioen wel haalt.

Het is ook een eerbetoon aan de vrouwen die wachtten tot hun man thuiskwam, soms met een weekloon dat half was opgezopen, of met een blessure waardoor er weken- of maandenlang geen loon binnenkwam. Aan de mensen in hedendaagse handelsketens die nog steeds disproportionele lasten dragen.

Het is mooi dat deze eeuwige lastdrager, misschien wel de universele lastdrager, nu in een plantsoentje staat. Want Rotterdam is allang niet meer alleen een stad van vooruitkijken en hard werken, maar ook van herdenken, gedenken en overdenken.

Wat een mooie plek om dat te doen.