Ger van Iersel. Monumentaal kunstenaar

Siebe Thissen Voorwoord in de publicatie van Frederik Haver Droeze, 'Ger van Iersel. Monumentaal kunstenaar' (Ad. Donker Rotterdam, 2015), 07.03.2017

Ger van Iersel. Monumentaal kunstenaar. Korter kan het niet. Hoeft ook niet. Ooit, na de Tweede Wereldoorlog, wisten we immers precies wat een monumentaal kunstenaar was. Monumentale kunst kwam voort uit een sociale kunstpraktijk. Monumentale kunst was van ons. Het was een bijzondere vorm van stadsverfraaiing die meestal werd gemaakt binnen architectonische opdrachtsituaties. Monumentale kunst was zichtbaar op straat, in de stad, in de kerk, op scholen; zichtbaar voor iedereen, vierentwintig uur per dag. Voorkennis van beeldende kunst was niet vereist. Soms waren de werken figuratief van aard, verhalend en herkenbaar. Soms waren ze meer symbolisch, of abstract, maar bijna altijd kleurrijk, zodat ze de grauwe gevels van de wederopbouwarchitectuur konden verluchtigen. Vaak geplaatst in of tegen de achtergrond van een gevel, werd het genre gedomineerd door mozaïeken, sgraffito’s, staal- en betonreliëfs, glas-appliqués, gekleurd glas in beton en wandschilderingen. De ‘wederopbouwkunst’ kwam in Nederland tot grote bloei in de periode 1945-1965.

 

Vooral Rotterdam was een dankbare afnemer van deze kunst. Het bombardement van 1940 had de binnenstad vernietigd en de wederopbouw noopte tot een enorme bouwopgave. De nieuwe architectuur was doorgaans zakelijk en leverde veel grijze dozen op die schreeuwden om kleur, decoratie en interventies van beeldende kunstenaars. ‘Geef ons muren!’, smeekte kunstenaar Louis van Roode vlak na de bevrijding bij het stadsbestuur. Een groep Rotterdamse kunstenaars schreef in 1946 een manifest – de toon was optimistisch: ‘Architectuur kan de menselijke omgeving vernieuwen, maar de kunst kan de mens in die vernieuwing betrekken. Daarom zullen wand en kunstwerk één zijn’. Dat was ook de opvatting van Ger van Iersel. ‘Monumentale kunst is en blijft gebonden’, zei hij in een interview. ‘Juist de eenheid van architectuur en kunst geeft het geheel zijn meerwaarde’. Binnen luttele jaren waren honderden kunstenaars in het land betrokken bij de wederopbouw, vaak geholpen door de ‘percentageregeling’, die steeds vaker bij nieuwbouw werd toegepast. Maar nadat de wederopbouw als voltooid werd beschouwd, gleed de monumentale kunst af in de vergetelheid. De kunst zou te Nederlands zijn geweest, provinciaals misschien, en liever oriënteerde men zich nu op internationale ontwikkelingen. Het gevolg was dat veel kunstenaars na 1970 uit het zicht van de canon raakten, zo merkte een kunsthistoricus op. Slechts aan een enkeling werd een monografie gewijd.

 

Nu de sloop van veel gebouwen uit de tijd van de wederopbouw grote vormen aanneemt, worden we plots geconfronteerd met de monumentale kunst die achter deze gebouwen schuilgaat. Dagelijks sneuvelen niet alleen gebouwen, maar ook kunstwerken. Schoorvoetend is echter een proces van herwaardering op gang gekomen. Denk aan het fraaie overzichtswerk Kunst van de wederopbouw. Nederland 1940-1965 (2013), verschenen onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het boek bevat een vraaggesprek met Ger van Iersel. In dat gesprek onthult de kunstenaar dat hij geen monumentale opleiding had gehad, maar alle technieken leerde van andere kunstenaars: ‘We spraken over onze opdrachten en hoe we het aan zouden pakken – er was werk genoeg voor iedereen die monumentale kunst wilde maken’. Zo kocht Van Iersel glas bij zijn collega Louis van Roode. Veel van deze monumentale kunstwerken zijn vandaag echter al verdwenen. Wellicht daarom neemt het aantal ‘monumentactivisten’ toe: mensen die zich organiseren tegen de vernietiging van karakteristieke gebouwen of monumentale kunstwerken, vaak gesteund door erfgoedverenigingen als de Stichting Heemschut. Van die ontwikkeling profiteren ook ‘vergeten’ kunstenaars die een belangrijk aandeel hebben gehad in de stadsverfraaiing van Nederland. Omdat academisch onderzoek vooralsnog achterwege blijft, is de opmars van de ‘acteur-auteur’ een verheugend verschijnsel. Het gaat hier om liefhebbers, vaak familieleden. Zij brengen het leven en werk van een kunstenaar in beeld en presenteren, vaak voor de eerste keer, een overzicht van hun oeuvre. Zulke publicaties leveren unieke bronnen op, die ons, op termijn, meer inzicht geven in de opkomst en ondergang van de wederopbouwkunst in Nederland. Vooral Rotterdam mag zich gelukkig prijzen met die aandacht. Zo schreef Jeroen van Berkel een boek over zijn vader Johan van Berkel. Beeldhouwer (2006). Hans Rombouts schreef met De Heilige Familie in Overschie: Gérard Héman (2013) een monografie over zijn schoonvader. Van de hand van Willem Heijbroek verscheen Louis van Roode. Meester in monumentaal maatwerk (2015) en Caspar Dingjan werkt aan een studie van de Rotterdamse glaskunstenaar Geertrui van Geldermalsen.

 

Aan die hausse is nog geen eind gekomen, zo blijkt uit Ger van Iersel. Monumentaal kunstenaar (2016). Frederik Haver Droeze heeft een mooi, maar ook nuttig boek gemaakt over zijn schoonvader Ger van Iersel, die in 2014 op 92-jarige leeftijd overleed. Van Iersel creëerde een indrukwekkend oeuvre, maar ook zijn naam lijkt opgelost in de cultuurgeschiedenis van Rotterdam. Dat geldt niet voor zijn vele werken. Het meest befaamd is wellicht zijn voorstelling van Christus, gemaakt van glas in beton, dat van 1960 tot 2006 de achtergevel van de Pauluskerk in Rotterdam sierde. Tijdens de sloop van de kerk in 2006 tekenden honderden mensen een petitie tegen de verwijdering van de Christus. Het mocht niet baten. Vele honderdduizenden bezoekers van het metrostation onder het Centraal Station kennen het enorme keramische gevelreliëf van zijn hand dat de grijze hal sinds 1967 jarenlang kleur gaf. Ook dit werk sneuvelde in het geweld van de stadsvernieuwing. Van Iersel werkte vaak in opdracht van christelijke scholen en kerken. Dat is niet zo vreemd, want hij was in het bezit van sterke oecumenische overtuigingen. Die overtuiging werd zeker gevoed door de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog.

 

Reeds in de oorlog groeide bij veel kunstenaars en intellectuelen het besef dat politieke, intellectuele of religieuze eendracht wenselijk was voor een nieuwe tijd. Tijd om na te denken hadden velen volop. Veel kunstenaars hadden in de vuurzee van het bombardement hun atelier verloren, konden of mochten niet meer exposeren, en om aan de arbeidsinzet te ontsnappen doken velen onder. Ook Ger van Iersel dook onder, bij een jurist op het Emmaplein. Maar er heersten ook andere opvattingen in de stad. Sommige collega’s waren enthousiast over de Nieuwe Orde. Met geld van de bezetter werden kunstwerken van vele tientallen Rotterdamse kunstenaars getoond en aangekocht. Toen de bevrijding aanbrak was de kunstenaarsgemeenschap tot op het bot verdeeld. Volgens de kunstenaars Nico Benschop en Piet Roovers wentelde de gemeenschap zich in wrok en schaamte. Ook daarom kon het verlangen naar synthese en eendracht de kern van de monumentale kunst na 1945 worden. Die synthesegedachte was soms politiek van aard (denk aan het socialisme van Dick Elffers), soms seculier georiënteerd (zoals bij de ‘ketterse katholiek’ Louis van Roode), soms spiritueel (zoals bleek uit de bekering van Gérard Héman tot de Russisch Orthodoxe Kerk), maar kon ook oecumenisch geïnspireerd zijn, zoals bij Van Iersel. De naoorlogse oecumene zocht naar eenheid en samenwerking tussen de verschillende religieuze stromingen binnen de christelijke religie. Die zoektocht naar ‘eenheid’ werd een dominant thema in het werk van veel monumentale kunstenaars.

 

Over de rol van (christelijke) school- en kerkbesturen tijdens de wederopbouw en hun bijdrage als opdrachtgevers van de monumentale kunst is nog nauwelijks geschreven. Ook daarom is een boek over Ger van Iersel meer dan welkom. Hoewel het boek zich niet tot Rotterdam beperkt, vormt Rotterdam toch het Leidmotief. De kunstenaar was een exemplarische vertegenwoordiger van de Rotterdamse generatie monumentale kunstenaars (al begon Van Iersel relatief laat en kreeg een groot deel van zijn oeuvre pas vorm na 1965). Hij groeide op tijdens de ontberingen van het bombardement en de oorlog, was actief tijdens grote stadsmanifestaties als Energie 1955 (E55), geldt als het eerste kunstenaarslid van de Commissie voor de Percentageregeling in 1968, en bracht een reeks karakteristieke kunstwerken voort die kenmerkend zijn geworden voor het straatbeeld van Rotterdam. Inderdaad, Ger van Iersel, monumentaal kunstenaar.