‘Zwart maakt onzichtbaar’

Siebe Thissen Lon Pennock en de Blaak, 22.06.2020
Maarten Laupman

In de middenberm van de Blaak, ter hoogte van de achterzijde van de Markthal, bevindt zich sinds 1984 één van de meest markante kunstwerken in de openbare ruimte van Rotterdam. Twee identieke stalen pylonen richten zich extatisch naar de hemel – ruim twintig meter hoog, anderhalve meter breed, vijfendertig centimeter dik, dertienduizend kilo zwaar, steunend op een enorme betonnen fundering. Rotterdammers houden van statistieken. Ondanks de grootte en het volume doen de kolommen lichtvoetig en poëtisch aan. ‘Ik heb ze opzettelijk uit het lood geplaatst’, vertelde Lon Pennock, maker van de tweelingsculptuur. ‘Ik wilde ze niet haaks op de Blaak zetten. Ze moeten een klein beetje naar elkaar toe neigen – dat maakt het beeld juist spannend’. Het Vrije Volk doopte het beeld bij plaatsing ‘de Doorkijk’. CBK Rotterdam registreerde het werk vijf jaar later als ‘Een beeld op de Blaak’. En ergens in de tijd, het exacte moment in is nevelen gehuld, verwierf het beeld de huidige naam: The River. Zoals kinderen van het Noord-Amerikaanse Lakota-volk eerst hun naam verwerven nadat ze volwassen zijn geworden, zo moest ook The River zijn naam verdienen. ‘Je kan niet zeggen: we zetten hier iets neer’, legde Pennock uit. ‘Een omgeving verandert, de stad verandert en beelden veranderen mee. Een omgeving groeit, een beeld ook. Als het beeld goed is, vindt het uiteindelijk zijn plek in de architectuur’. En zo vond het beeld als The River zijn plek in de gebouwde omgeving.

Pennocks sculptuur laat zich weliswaar zonder voorkennis lezen, maar niet eenvoudig duiden. The River werd door critici een poort genoemd, een grens, een signaal, een markering, en zelfs geïnterpreteerd als een tweetal stèles, hoewel het beeld gespeend is van inscripties, teksten of voorstellingen. ‘Dat klopt, ik wilde beide platen volmaakt strak, recht en glad hebben’, aldus Pennock. Om dat perfecte beeld te bereiken weigerde de beeldhouwer zelfs lasnaden toe te staan. Die wens moest worden gepareerd met een ingenieus skelet, onzichtbaar voor het publiek. Een knap staaltje van Anton Furst-achtig steampunk-design houdt beide zuilen van binnenuit kaarsrecht en roerloos overeind. Toch lijken de matzwarte platen, hoe kolossaal ook, slechts bijzaak: ze vormen een lijst die de aandacht wil vestigen op de leegte ertussen. Dat Het Vrije Volk zijn beeld ‘de Doorkijk’ noemde was zo kinderachtig nog niet. ‘Ik word geboeid door kijken’, lichtte Pennock aan de vooravond van de plaatsing van zijn werk toe. ‘Het stadsbeeld wordt bepaald door doorkijkjes. Ik maakte tekeningen en modellen en bleef beide platen op een getekende dwarsdoorsnede van de Blaak eindeloos heen-en-weer schuiven. Steeds kon je wat anders zien, steeds veranderde het beeld. Als je straks, als mijn platen er staan, bij het Churchillplein oversteekt en kijkt in de richting van treinstation Blaak, dan kun je de verte vangen tussen mijn beide platen en zie je het beeld van de stad voortdurend veranderen’. The River is een oefening in kijken.

Pennock koos weliswaar het perspectief van de voetganger, maar zijn opmerking over het oversteken van de Blaak was een subtiele kritiek op zijn opdrachtgevers. Hen stond namelijk een verblijfsplek op de brede middenberm voor ogen – een grootstedelijke mezzanine of groene esplanade, waar voetgangers en kantoorwerkers tijdens hun lunchpauze even konden verpozen. Geen non-plek die louter door rusteloze passanten zou worden doorkruist. Maar zo’n romantisch ‘Ramblas-model’ voor de Blaak was een misverstand, vond Lon Pennock, vertrouwd als hij was met de geschiedenis van het gebied. De kunstenaar was in de jaren 1980 als adjunct-directeur verbonden aan de Academie van Beeldende Kunsten, gevestigd in één van de meest markante monumenten aan de Blaak. ‘Blaak 10’ was het voormalige bankgebouw van Mees & Zonen dat in de periode 1930-1934 werd gebouwd door de katholieke architect Alexander Kropholler. Dat Pennock met zijn beeld op de Blaak de veranderende stad wilde vangen getuigde van realiteitsbesef, want nergens waren de transformaties zo ingrijpend als hier.

De Blaak en de Westblaak maken deel uit van een enigszins pompeuze en onevenwichtige verkeersader in het hart van de stad. Ze vormen het schakelstation tussen het Oostplein en de Rochussenstraat. De veel te breed opgezette route lijkt ontworpen voor militaire parades, defilés en carnavalsoptochten. Oorspronkelijk was de Blaak een water dat tijdens de bezetting werd gedempt met puin, afkomstig uit het door de Duitse luchtmacht gebombardeerde centrum. Na de bevrijding verrezen hier bank- en kantoorgebouwen. In westelijke richting liep de Blaak voorbij het Churchillplein dood in de Westblaak. Ter hoogte van de Hartmanstraat werd de straat gestuit door een reeks ‘verschrikkelijk oude huizen, in de meest volstrekte zin krotten geworden’, zoals Het Vrije Volk in 1960 schreef. ‘Honderden gezinnen leven hier in smalle, zonloze straten’. In het Basisplan voor de Wederopbouw was al in een doorbraak naar de Rochussentraat voorzien. Die kwam er ook, want de toegenomen verkeersdrukte moest in rap tempo worden gestroomlijnd en de vraag naar nieuwe kantoorgebouwen was groot. Met veel geweld trokken bulldozers een spoor door de stad. Onderweg werden huizen omgetrokken, het bouwpuin afgevoerd, en straatarme gezinnen met een verhuispremie van driehonderd gulden naar Zuidwijk en Hoogvliet gedirigeerd. Het Algemeen Handelsblad sprak over de nieuwe oostwest-route als ‘een slordige haal door een samenhangende wijk… altijd maar weer bouwen, tegen de vlakte gooien, weer bouwen, een doorbraak plegen, opnieuw veranderen… een ordeloze en zinloze geschiedenis. Althans, dat beeld wordt ons hier in één en hetzelfde stadsdeel voorgespiegeld’. Nadat de rook van de doorbraak was opgetrokken dienden nieuwe ingrepen zich alweer aan. De Nieuwehaven werd gedempt, er kwam een verkeerstunnel voor het autoverkeer onder het Churchillplein, de kubuswoningen van Piet Blom werden gebouwd (met dat armetierige poortgebouwtje dat de allee als een maagband dichtknijpt). De meest verstrekkende stadsklus was de aanleg van de metro in oostelijke en westelijke richting. Opnieuw lag de Blaak open. In 1982 werd een ondergronds metrostation geopend, pal tegenover de kunstacademie. Vanuit zijn werkkamer zag Lon Pennock het allemaal gebeuren. Elke dag tuurde hij in een bouwput.

Ondertussen was het inzicht doorgedrongen dat schaalvergroting, wijkdoorbraken en het primaat van het verkeer de stadsdelen niet met elkaar hadden verbonden, maar juist hadden opgedeeld in eilanden. In zijn studie De binnenstadsbeleving en Rotterdam (1968) had Rob Wentholt de filosofie van de wederopbouw genadeloos neergesabeld. De naoorlogse stad zou leefbaarheid, sfeer en gezelligheid hebben opgeofferd aan een ‘functioneel modernisme’. De openbare ruimte had een chronisch gebrek aan intimiteit, groen en beeldende kunst. Rotterdam was niet alleen te strak en te zakelijk geworden, maar ook leeg, koud en grijs. Het stadsbestuur en de dienst Stadsontwikkeling voelden de urgentie. Er moest voortaan paal en perk worden gesteld aan doorgaande autowegen in de binnenstad; voetgangers en fietsers verdienden meer ruimte; en de kwaliteit van de openbare ruimte moest fors worden verhoogd. De aanleg van de metro maakte de herinrichting van een aantal hoofdlijnen in de stad noodzakelijk. Zo werd een unieke kans geboden het intimiteitsprogramma in en rondom het stadscentrum te verwerkelijken. Verkeerswegen moesten worden getransformeerd in stadsboulevards, monotone trottoirs in boomrijke middenbermen met wandelpaden en verblijfsfuncties. De boulevards van Parijs werden bestudeerd, de Ramblas in Barcelona, de Schelde-oever van Antwerpen en de esplanade langs de Rhône in Valence. ‘Boulevards wilden we’, zei Jan Willem Vader, chef van de dienst Stadsontwikkeling. ‘Niet de boulevards van de wederopbouw, die waren op snelwegen gaan lijken en barrières geworden. Echte boulevards wilden we, op z’n Parijs’. Zo moest ook de Blaak worden aangepakt. En op zo’n nieuwe esplanade was er natuurlijk ook ruimte voor beeldende kunst.

Ruim tachtig kunstenaars reageerden op een advertentie in het vakblad BK Informatie. De zwaar opgetuigde adviescommissie bestond uit zes kunstenaars, drie landschapsontwerpers van de dienst Stadsontwikkeling, een ingenieur van de dienst Gemeentewerken en een architect. In de advertentietekst had de commissie sollicitanten uitgenodigd een voorstel te doen voor een autonoom object dat, wat maat en schaal betreft, de voetganger als ijkpunt zou nemen. Dit object werd bovendien geacht te reageren op wisselende omstandigheden (beweging, wind, zon, regen, licht, lucht), zou de bestaande inrichting van de Blaak geen geweld mogen aan doen, en moest zodanig worden ontworpen dat de onderhoudskosten minimaal zouden zijn. Het budget kwam ten laste van het zogenaamde Fonds Bohré, genoemd naar de fractievoorzitter van het Rotterdamse CDA, Bertus Bohré. In 1975 had de gemeenteraad een motie van diens hand aangenomen waarin werd aangedrongen op een fonds voor stadsverfraaiing. Uit die pot kon een gigantische reeks bomen, muurschilderingen, bloembakken, speelobjecten, straatmeubilair, kinderboerderijen, vissteigers, kiosken en braderieën worden gefinancierd. Het fonds gaf een krachtige impuls aan het intimiteitsprogramma dat het stadsbestuur had ingeluid. Tevens werd in die campagne een kunstwerk op de nieuwe Blaak-boulevard wenselijk geacht. Deze boulevard zou worden ingericht volgens ‘het Ramblas-type, dat wil zeggen, een zo breed mogelijke middenberm met groenaankleding en flaneermogelijkheid’, aldus de advertentietekst in BK Informatie. Uit het grote aantal kandidaten koos de adviescommissie voor Lon Pennock. Met Pennock werd echter wel een Paard van Troje binnengehaald, want de kunstenaar lapte de opdrachtomschrijving aan zijn laars. Niks geen Ramblas in Rotterdam. Grootstedelijkheid! Daar ging het om. ‘Juist het zakelijke accent van de Blaak bevalt mij zeer’, vertelde hij een verslaggever. ‘Kijk eens naar die formaten hier! Een échte stedelijke weg, al is ie niet afgemaakt. Vergelijk de Blaak eens met de Vijzelstraat in Amsterdam! Nou, dan valt die laatste toch aardig door de mand. Ik houd ervan objecten te maken in een omgeving van kunstmatige natuur en kunstmatige beschaving’.

Wekenlang observeerde Pennock de Blaak. De kunstenaar noteerde de afmetingen van alle gebouwen. Hij volgde de bewegingen van voetgangers en stelde vast dat niemand de middenberm gebruikte (als bewijs wees hij naar het mos en het onkruid dat weelderig tierde tussen de tegels). Bovendien was van een klassieke, ononderbroken middenberm geen enkele sprake. De strook op de Blaak had de vorm van een grillig, langgerekt eiland dat hoogstens als vluchtheuvel voor overstekende voetgangers fungeerde. Pennock bestudeerde de wijze waarop voetgangers de Blaak het liefst overstaken, altijd vanaf de rivierzijde naar de binnenstad of in tegenovergestelde richting (drong hier de notie van The River zich voor het eerst op?). Hij postte bij de uitgang van Station Blaak en zag dat geen enkele reiziger op het idee kwam het wandelpad op de bermstrook te gebruiken. Hij tuurde in de zijstraten, zoals de Molstraat, van waaruit kantoorpersoneel schuin overstak naar de Dominee Jan Scharpstraat. Hij raakte gefascineerd door de bajonetvormige verschuiving van de rooilijnen op deze kruising. Er is een schitterende foto waarop Pennock moederziel alleen plaats heeft genomen op een bankje in de middenberm van de Blaak. Het is 1982. Het decor wordt gevormd door autoverkeer, een betonnen appartementencomplex en armzalige bomenrijen. De kunstenaar heeft een meditatieve houding aangenomen, de handen over de liezen gevouwen, zijn ogen tot spleetjes gevormd. Turend van onder zijn pet neemt hij de omgeving geconcentreerd in zich op. En toen zag hij het, ineens. Hij moest een obelisk maken, net zoals die van Washington en Parijs, maar dan als ensemble, zodat er nog een functie aan het object kon worden toegevoegd: kijken. Telefonisch lichtte hij zijn opdrachtgevers in. Het koude zweet stond hem op de rug. Was de oplossing werkelijk zó simpel? De adviescommissie was in eerste instantie niet enthousiast maar toonde zich wel bereid naar de motieven van de kunstenaar te luisteren.

Tijdens een presentatie slaagde Pennock erin draagvlak te vinden voor twee reusachtige zwarte platen van ruim twintig meter, waarmee hij niet alleen een poort voor overstekende voetgangers creëerde, maar ook een verticaal profiel aan de Blaak oplegde – een onvervalste ode aan grootstedelijkheid. Van een kleinschalige ingreep op voetgangersniveau of andere gezelligheidsaccenten wilde hij niks weten. ‘Kijk, het is een misverstand je hier louter op de voetganger te richten’, doceerde Pennock. ‘Aan de Blaak zit geen begin en geen eind. Iemand die in de middenstrook zou willen verblijven is er eentje van Mars. Dat hele esplanade-idee gaat hier niet werken. Niet de voetganger, maar het autoverkeer bepaalt de dynamiek van de Blaak. Je hebt te maken met druk verkeer in tegengestelde richtingen. En dat autoverkeer gaat echt niet stilstaan bij jouw beeld. Daarom hoort er op de Blaak een beeld dat je maar héél kort ervaart, in één oogopslag. Het moet een heel snelle ervaring hebben. Daarna is het voorbij’. Pennock wist zijn opdrachtgevers ervan te overtuigen dat hij op de Blaak een groots gebaar moest maken: een dubbelsculptuur van formaat. Commissieleden noemden zijn presentatie steekhoudend en indrukwekkend.

Pennock kreeg carte blanche. Op donderdag 12 april 1984 werden beide kolommen geplaatst. Slechts één foto, gemaakt door Vincent Mentzel voor NRC Handelsblad, schonk aandacht aan het werk. Het Vrije Volk had louter belangstelling voor de constructie van de ‘doorkijkplaten’, alsof het de industriële productie van een scheepswand betrof. Het dagblad beschreef uitvoerig hoe de zandstraalbehandelingen en het aanbrengen van de matglanzende zwarte coating plaatsvonden onder toezicht van twee gemeentelijke inspecteurs. Een gesprek met de directeur van het coatingbedrijf beperkte zich tot geneuzel over extra-voorraadjes verf, noodzakelijk indien graffiti de zuilen zou bezoedelen. Vijf jaar later noemde Hans Abelman van CBK Rotterdam het spijtig dat de aandacht voor de onthulling zo gering was geweest. ‘In die tijd was het gebruikelijk om op een sobere wijze beelden in de stad te plaatsen. Een meer mechanische gebeurtenis waarbij hooguit een kleine onthulling plaatsvond met de personen die direct bij het project betrokken waren’. Die spijt was begrijpelijk, want heel langzaam was het beeld in de stad gegroeid. Heel langzaam kroop het beeld in de architectuur. En op een dag, rond de eeuwwende, was The Rivereen feit. Een majestueus beeld, ondenkbaar dat het ooit van de Blaak zal verdwijnen. Bewegingloos, als een stemvork in rusthouding. Onveranderlijk, in een hyper-dynamische omgeving. Het beeld van Dark City (1998) dringt zich hier op, de film van Alex Proyas, waarin een telekinetische sekte de architectuur en skyline van de stad in een moordend tempo weet te veranderen. Op een steenworp afstand van The River was een nieuwe bibliotheek uit de grond gestampt en de Blaaktoren van Piet Blom gebouwd. Het oude luchtspoor maakte plaats voor de Willemspoortunnel. Het hypermoderne spoorwegstation Blaak werd in 1993 geopend, kantoorgebouwen vermorzeld door sloophamers, of gestript en vervolgens van een nieuwe huid voorzien. En steeds opnieuw tuurde Pennock op de Blaak door het venster dat The River voor hem had geopend. ‘Ik hou van een omgeving die verandert’, vertelde hij aan een ieder die het wilde horen. ‘Niet dat alles steeds maar op de schop moet. Geen kaalslag. Maar veranderingen, prima’.

En toen kwam de Markthal. Deze postmoderne en post-Mediterrane bazaar, ontworpen door het Rotterdamse MVRDV, past naadloos in het kermisachtige architectuurlandschap dat rondom Station Blaak werd opgetrokken (die status wordt periodiek beloond met de komst van een reuzenrad). Tijdens de bouw van de Markthal in 2009 realiseerden ondernemers zich dat de bevoorrading van hun stands en winkels problematisch zou worden. Vanaf het Churchillplein zouden vrachtwagens en bestelbusjes door moeten rijden naar het Oostplein. Daar moest worden gekeerd om vervolgens helemaal terug te rijden naar de Markthal. De verantwoordelijke wethouder bleek gevoelig voor de grieven van de ondernemers en beloofde een ‘linksaffer’, een nieuwe afslag naar links ter hoogte van de achterzijde van de Markthal en de ondergrondse parkeergarage in de Dominee Jan Scharpstraat. Maar precies daar was The River gesitueerd. Op de vraag van de dienst Stadsontwikkeling of het kunstwerk kon worden verplaatst antwoordde CBK Rotterdam resoluut: Nee, het werk is onlosmakelijk verbonden met deze plek. ‘We zaten er echt mee in onze maag’, zei de vertegenwoordiger van de gemeente. ‘Op een kaart stelt het beeld niet meer voor dan twee stippen. Daar valt in het platte vlak gemakkelijk mee te schuiven. Maar de werkelijkheid is anders. Dus zijn we gaan praten met CBK Rotterdam en de kunstenaar’.

Pennock toonde zich bereid mee te denken over een oplossing. ‘Een kunstenaar hoeft voor zijn kunst geen onschendbaarheid te claimen’, vond hij. ‘Een metamorfose van een kunstwerk behoort altijd tot de mogelijkheden. Dat vind ik zo goed aan Rotterdam. Dat veranderingen weliswaar nodig zijn, maar dat mij als kunstenaar toch gevraagd wordt: wat vind jij ervan?’. Hij constateerde dat een verplaatsing van zijn kunstwerk helemaal niet nodig was: het links afslaande autoverkeer kon ook óm The River worden geleid. Maar stilstaande auto’s voor een verkeerslicht en langzaam rijdend verkeer dat zich rondom het kunstwerk beweegt, zouden een totaal nieuwe context creëren. ‘Als je afslaand verkeer krijgt wordt het beeld in plaats van goed-op-afstand eigenlijk veel actiever’, legde hij uit. ‘Dan is het geen beeld meer waar de hele boel aan voorbij schiet, maar een spil waaromheen alles draait. De ene kant op, de andere kant op. Dan moet het werk dus een veel actievere uitstraling krijgen’. De kunstenaar vroeg bedenktijd: hoe kon hij de activiteit van het beeld vergroten? Na een korte periode van bezinning stelde hij een kleuronderzoek voor. Dat was schrikken, want CBK Rotterdam had bij de gemeente elke verandering van het kunstwerk afgewezen. ‘Maar ik heb vrij regelmatig beelden in kleur gemaakt’, stelde Pennock de twijfelaars gerust. ‘Menie vind ik in deze omgeving verkeerde associaties oproepen, te veel een kleur van de haven. Industrieel geel? Nou ja. Groen en blauw vind ik sowieso niet goed. Rood misschien. Uiteindelijk ben ik gekomen tot iets koperachtigs, een soort goud. Daarmee wordt het beeld werkelijk aanwezig’. Het handhaven van de zwarte kleur vond Pennock geen optie. Het zwart was veel te onzichtbaar geworden op de Blaak. Zichtbaarheid, daar ging het nu om. Aanwezigheid. Activiteit. Dynamiek. ‘Kijk, het beeld verandert niet van vorm, maar het wordt tóch een ander beeld’, voorspelde hij.

Het zou nog jaren duren voordat de afslag naar de Markthal een feit was. Halverwege april 2014 kreeg een gerenommeerd schildersbedrijf uit Pernis opdracht tot het spuiten van The River. Een gigantische toren werd opgetrokken rondom het met steigerdoek omzwachtelde kunstwerk. ‘Goud’ is geen simpel lakje, maar een wat complex verftype, opgebouwd uit schubben die over elkaar worden gestreken. Dit resulteert in een glanzend metaaleffect waarmee de uitstraling van goud kan worden gesimuleerd. Wanneer het zonlicht op de lak valt wordt het licht op een onregelmatige, goudachtige wijze weerkaatst. Eerdere proefstalen waren door de kunstenaar goedgekeurd en ook de aangebrachte testlagen op pylonen gaven geen reden tot zorg. Maar nadat de steiger was opgeruimd en de nieuwe River zich voor het eerst openbaarde, meldde Lon Pennock dat hij teleurgesteld was in het eindresultaat. De gelaagde weerkaatsing van het zonlicht in de lak had als optisch effect dat de verflaag niet egaal scheen. Hierdoor leek het alsof het beeld een vlekkenpatroon had gekregen en niet langer glad was. ‘Ik keur het schilderwerk af’, zei hij. ‘Dit is niet wat ik ervan verwacht had en ons door de schilder werd voorgespiegeld. Jammer. Het werk hoeft niet opnieuw te worden uitgevoerd, dat zou kapitaalvernietiging zijn. Maar ik heb wel een advies: als in de toekomst een nieuwe verflaag noodzakelijk is, kijk dan of het aanbrengen van een andere goudlaag een optie is’.

Om tegemoet te komen aan de twijfels van de kunstenaar over het schilderwerk besloot CBK Rotterdam tot een onafhankelijk onderzoek naar de prestaties van het bedrijf. Dit onderzoek ‘naar het verschil van inzicht als gevolg van de optische beleving van de verfsoort met een gouden uitstraling’ leverde vooral frustraties op: bij het schildersbedrijf, de verffabrikant, de gemeente Rotterdam, CBK Rotterdam en bij de kunstenaar. Begin juli 2014 stelde het onderzoeksrapport vast dat ‘geen enkel ander verfproduct aan de verwachtingen van iedereen had kunnen voldoen, omdat hier sprake is van een effectlak die door iedereen op een andere wijze wordt ervaren. De uitstraling van de sculptuur zal als zodanig moeten worden geaccepteerd’. Met die uitspraak had de Rijdende Rechter wellicht een civiel geschil kunnen beslechten, in de beeldende kunst heeft zo’n uitspraak geen enkele waarde.

Kort nadat The River een gouden gedaante had aangenomen, op 25 juli 2014, schoot fotograaf Otto Snoek een prachtige foto op de Blaak: Het is warm en de zon creëert een fascinerend schaduwpatroon op het asfalt. Een kleurrijke mensenmassa heupwiegt in zomerse kledij, terwijl schaars geklede dames in bikini, getooid met blauwe veren, vleugels en maskers zich naar hun vriendinnen haasten. Je hóórt de stad. Zomercarnaval in Rotterdam. Iets links van het midden heeft Snoek The River geportretteerd. Als blinkende, gouden totempalen, uitgestrekt tot voorbij het kader van de foto, gedraagt het kunstwerk zich als een magisch, verbindend element in het stadsbeeld, als een amulet dat de feestgangers geluk zal schenken. Aanwezigheid. Activiteit. Dynamiek. Terwijl critici en betrokkenen nog bakkeleiden over de kleur van de zuilen of een terugkeer naar het oorspronkelijke zwart, had The River zijn plek in de stad alweer gevonden. Eens zal de discussie over het juiste goud opnieuw worden gevoerd. Een terugkeer naar de oude situatie is echter uitgesloten, want zwart, waarschuwde Pennock, maakt de sculptuur onzichtbaar.

 

Verschenen in: Puntkomma (19, 2020), 42-46.


Bronnen:
– Tjitte de Vries, ‘Lon Pennock maakt stalen ‘doorkijk’ naar de Blaak’, in: Het Vrije Volk (31 maart 1983);
– ‘Pennock maakt kunst van brandweertoren’, in: Het Vrije Volk (21 september 1985);
– Hans Abelman (redactie), Een beeld op de Blaak (Rotterdam: Centrum Beeldende Kunst, 1989);
– Jean Leering, ‘Rotterdam en The River’, in: Kees Rijnboutt (redactie), Skulptuur 1968-2003 – Lon Pennock (Den Haag: Stichting Lon Pennock, 2004), 19-25;
– Jan Houdijk, ‘Gouden toekomst voor The River’, Kunst en Economie in Rotterdam (8, 2007), 31-35;
Less is More. Lon Pennock in gesprek met Sandra Smets, een film van Mels van Zutphen (Rotterdam: CBK Rotterdam, 2013) ;
The River (De metamorfose: van zwart naar goud), een film van Emile Steginga (Rotterdam: CBK Rotterdam, 2014).

Gerelateerd kunstwerk

The River (1984) Lon Pennock
Zonder titel (1989) Lon Pennock